HET HART - I



Ik was een bitter mens:

veel lachende verwachtingen die argeloos en gretig weg­dansten — maar nooit haar echo vonden,

en ondanks dit: veel dwaas-voorbarige vervoeringen — die altijd, en rauw, werden verbrijzeld;

veel weerloos-samengeknepen angst — die nooit een mèns verstond:

ze hebben mijn gelaat en mijn stem langzaam gehavend.

Maar uw lach, uw lach vooral.

Wist ge, mijn hart was ééns blij als een jong eekhorentje in de lente. — Een jonge uitgelaten hond beet plotseling, ’n dag, z’n oogjes toe, voor goed.

Ik was een bitter mens:

een zware tomeloze drift naar een schoon man-zijn (o! de trotse vluchten van ster tot ster) zoog zich onlesbaar en onstuimig vast aan de ruige kracht mijner jeugd: maar mijn kracht werd ontwricht tot een grimmige vesting:

Ik ben, als zovelen, een bittre en vereenzaamde opstandeling geworden,

Maar dagelikse nederlagen moesten ook deze weerloos verslaan.

Het heeft mijn gelaat en mijn stem langzaam en gans ge­havend.

Maar uw lach, uw lach vooral.

Wist ge, mijn hart was ééns als een sidderende populier in de doorwaaide morgen. In zijn verholen ruisen nestelden zingende vogels ontelbaar. Zij wiekten uit en kringden rond en keerden weer: als een juich-kreet stond de populier aan de hemel.

Ik was een bitter mens:
een, die het vele weifelend gemijmer zijner ogen, zijn


24






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 08-08-2011