Gij, God, die onze jeugd verblijdt.

Gij weet hoe mijn leven, waarin niets menseliks mij vreemd bleef, streed, streed om uitersten,

en hoe ik nu de dag ontvangen wil, uit Uwe Hand, ge­laten; gelaten nader door dit land van ballingschap: een dagelikse bee — van uur tot uur — zijn kleine dagelikse vreugden en zijn zware, dagelikse wee.

Ik kom tot U die belast ben en beladen,

een uit de velen — o! niet vergeefs, niet vergeefs! — die hun leven voegen tot een offerand,

dat Uw Naam worde gezegend, en Uw Rijk weer ontbloeie in dit donkere land.



















23






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 08-08-2011