II


Des morgens vroeg onze stem moe: ,,is het avond, en toen het middag was: ,,is dit dag, en in den avend staarden we vragend om: ,,waarom was deze echoloze dag.

Wij wisten niets.

Weh spricht: vergeh!

Weh spricht: vergeh!

doch alle Lust will Ewigkeit!

will tiefe, tiefe Ewigkeit.

En God is goed, is God niet goed? is God geen God van Blijdschap? o, dit gemijmer onzer gedachten, die moede honger van ons moede lijf.

He is God goed. We wisten niets.

Telkens o hoor je niet: als het verdoken gelach van een meisje dat je verrassen wil telkens het onverwacht, ijl en wijd aanzingen van een nieuwe lente.

En onze stem: ,,Zie Hart. Zie. God is goed. t Leven, t leven is toch schoon. Zie deze, deze wordt een schone, wijze mens: zijn ogen zijn nog als vijvers klaar en stil: zij ogen zullen sterk worden, als van een gems die gewend werd aan t steile gevaar der ravijnen.

Maar de een na de ander gingen zij heen, Waarheen? Waarheen?

Zij allen werden als de vele, vele anderen.

De morrende roep van ons donkere oproer: ,,waarom beangst Gij ons met wroeging als wij de wegen treden die zovelen gaan en gaan naar U. Waarom rond ns, in ieder oog, in iedere stem, in ieder ding de sluipende echo Gd, van Uw eenzaamheid, en van de stille ondergang der mensen. Waarom zijn wij niet als die vele, vele anderen. Is niet ook ons verlangen: tussen wat mensen mens te zijn, wat warmte, wat zachte gemeenzaamheid, wat stil neurien om maar heel geringe dingen. Zie: dankbaar en blijde kunnen we zijn:

14






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 08-08-2011