Mijn ogen hebben gezocht de vraagloos-gebogen dienst­baarheid van velen, zo schoon, in dit groot miesterie van het leven — en mijn lippen fluisterden ,,Broeders’’, en mijn ogen hebben rondgezien, rondgezien ,,Broeders’’,

ik heb mijn hart ontsloten voor de grote erbarming — maar dit is scherpste pijn, en nooit meer verlaat hij u: want het leed der mensen is zwaar en blind en in duisternis gaan zij verdoold.

ik heb gemijmerd over hen die komen na ons: o, hun ge­loof, hun verlangen, o, het licht hunner ogen, — schoon en stil en rijk zoals wij nooit iets bezaten. En ìets in hen is van òns, door òns,

God, ik heb geluisterd — naar alles heb ik geluisterd om het geheim te vinden van die ene, mateloze vreugde waarom het hart vroeg, en die het wist, wist, wist — naar het won­dere openbloemen uwer genaden in de harten rondom ons, dan hier, dan daar,

kom, ik wil mijn lied stemmen op een stil ritme van innig­heid, ik wil zijn bij de eenvoudigen, de armen van geest, en zingen voor hen alleen: een neurieënde melodie van avend­rust: ik ben te moe, te moe,

en ik sprong op, om een ruige barbaar te zijn, me te bevrijden, verbeten, van alle begrippen, me te bedwelmen, enkel, aan de stortende vreugden van het zijn. Ziet! zó zijn wij! Ziet! wij staan naakt als een zwemmer, onze spieren zijn gestaald aan het geweld der golven! Ziet! wij hebben gebroken met alles dat òns brak — en het licht is gestroomd in onze ogen die glanzen van geluk! Nu zal het zijn alsof de eerste dag openwoei over een nieuwe schepping, alsof we ’n lentemorgen de haven uit de open, blauwe zee in­voeren — de zeil-steilten een majestatiese verrukking, en de zee één paradijselijk geluk!

— maar het lied,

het lied


12






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 08-08-2011