DE TOCHT - I

Hoe dikwels, hoe dikwels het hete gefluister mijner lippen: ,,vandaag. vandáág zal ik het zingen: mijn lied, het nieuwe lied aan de Vreugde! Wist ge dit niet: God is de God der vreugden, de blijde God! Wist ge dit niet? — Ik zal u roepen en verrukken met een vreugdelied’’. Mijn armen ge­klemd langs mijn lichaam: om het ritme dat te stuwen, te stuwen begon in mijn bloed.

Want ik wilde — o, de onstuimige, tumultueuze tochten van mijn bloed — ik wilde uw sterke ontembre zanger zijn, en mijn lied moest als een bergketen zwaar en sterk zijn, als een onneembare vesting vermetel, en als een katedraal klimmende himne die gáns het leven schoort en omspant.

En ik trok van verte tot verte, en verten na verten door­vorsten mijn ogen. Niets, niets kon mijn verlangen verarmen, zo lang, zo lang — en na iedere verte gingen mijn lippen: ,,later, láter, dit niet’’.

Hoe dikwels, hoe dikwels het bedwongen juichen van mijn hart — o, de klimmende zon aan den einder van iedere verte — ,,nu, nu gaat de grote nieuwe vreugde komen, nu zal zij stijgen en over me dalen in eindeloos-zoete verrukkingen, en vandaag o, vrienden! o, mensen! vandaag zal ik het lied, het lied der Vreugden zingen: God is een God van Blijdschap. Ik zal u roepen tot mijn God en Heer met een lied dat zwaar is en sterk als een bergketen, vermetel als een on­neembare vesting, en als een oude katedraal: klimmende himne die gans het leven schoort en omspant’’.

Maar in dagelikse nederlagen ben ik gebroken: ’n neder­laag werd iedere nieuwe verte: aan alle kanten werd mijn geloof geveld. En bitterheid nam bezit van mijn ogen, bitter­heid nam bezit van mijn lippen, bitterheid nam bezit van

10






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 08-08-2011