GODS GEVANGENSCHAP

O je slanke vaste pantergang
zo verloren, zo verloren onder de mensen.
Verhard en tartend was de hoge vonkel van je trots oog,
het wrede spelen van je achteloze hand.
O! je was schoon! wreed-schoon, schoon-wreed
: als schreed je eenzaam aan een bergrand, wankelloos,
en wist je verre glimlach, niet het nabij gevaar.

God brak je, Hij stortte je neer, plotseling, meedogenloos,

dat onze ogen sidderden van pijn.
Maar Hij ving je op,
Hij heelde je zacht, omwindselde al je pijnen,
Hij ving je in dat andere, dat zoete gevaar: de eenzaamheid
met Hem.

Oseanennacht: en boven welven de sterren ver, ver en,
z nabij
als hoorde je het tremuleren van hun zweven.

En je luistert, luistert naar het zware stromen, en je leunt in
het dreunen der masjiene,
om niets te zien dan t zware stromen van het water, niets
te horen dan het dreunen der masjiene
dat God je hart niet van glukzaligheid zal breken:
God, als een einderloze, hemelloze oseanennacht alleen Hij,
alln Hij
hoor, hoor! het tremuleren van hun zweven!
en veilig, en mild als een stil-ademende haven in de morgen.

O! dit is schoon! Zo schoon als stamel je in zoete wanhoop
,,het is niet wr, het is niet wr en ,,weet Ge: ik ben,
ik was...
en snikkend breek je in een zacht geschrei.

9






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 08-08-2011