Dien avend, als ze luistert naar het provinsiaal orkestje, glijdt om haar lippen een moede glimlach: wat et ook speelt — Beethoven of Liszt, Mendelsohn of Bach — altijd dezelfde tonen, dezelfde niet te verbreken eentonigheid: ’n gemoede­lik zwerven, rond de niet te bevatten kern. — En ook het slanke dirigentje met de blanke spitse vingers — onverstoor­baar-ver van ondergang en verrijzenis en goedhalzige zelf­genoegzaamheid — is vredig, tevree.

M’n arm-harde cow-girl — de harde grassen der steppen van horizont tot horizont, — m’n moede selfmade girl, waar­aan niemand heeft gedacht, m’n bloemenmeisje van eens...

Om je lippen glijdt ’n verveelde spotlach als je de jongen ziet die ’t tasje van z’n meisje draagt. Waarom je lacht —? je weet het niet.
De wijzers wijzen uit elkaar
met ’n hopeloos gebaar.









7






















aangemaakt: 12-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 08-08-2011