lijst van werken
vorige bladzijde



De rivier



Zij ligt maar in het klare herfstlicht voort te stromen
en glans te zijn en rust en van haar eenzaamheid
en van de verten en de bergen en hun heldre dromen, –
eenzelvig afgewend van het tumult der tijd.

Aan hare oevers staan de naakte najaarsbomen,
de dijken en de weiden werden koud en grauw,
doch de rivier bleef langzaam in zichzelve stromen
en is nóg fonkling, zomer, onverdelgbaar blauw

en overal zachtmoedig gronden voedend
en door de scheepjes niet gestoord ooit in haar vree;
en durend achterlatend wat z’ootmoedig hoedde
is zij slechts stromen, onbezweerbaar voort, naar zee

en van de zee weer heemwaarts naar de hemel
en van de hemel neerwaarts naar der bergen sneeuw
en van de rotsgebergten neer in ’t mensgewemel,
in ’t klein rumoer terug van een verwarde eeuw,

en ligt weer in haar bedding stil te stromen
en glans te zijn en rust en aller vruchtbaarheid,
eeuwig haar cirkelgang herhalend, nooit voltooiend,
in ’t raadselachtig glimlachen der eeuwigheid.













91





















volgende bladzijde
inhoudsopgave




aangemaakt: 26-11-2007 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 18-02-2010