vorige bladzijde en Vermeer, zijn Ruysdael en Jan Steen, zijn Hadewych en zijn broedertjes des Gemeenen Levens heeft voortgebracht; een volk, dat, hoe klein ook, een koloniaal imperium opbouwde en met zijn vloot zeeën en volken braveerde; een volk vervolgens dat nog heden (en als behoorend tot dit heden nog) op een trits geesten en dichters kan bogen als Van Deyssel, Bolland, Leopold, Gorter, Henriëtte Roland Holst, A. Roland Holst, Marsman, Slauerhoff, Ter Braak, op zoo gróóte, zoo hevig en onvervaard levende en tegelijk zoo diep verscheiden persoonlijkheden als degenen die ik noemde; een volk tenslotte, dat een zoo uniek volkslied bezit als òns Wilhelmus van Nassouwe, deze sublieme en onsterfelijke belijdenis van tegelijk vrome en soldateske levenswil, — een dergelijk volk is geen burgerlijk, maar, gelijk Joris van Severen het eens karakteriseerde, een prinsen-volk.
    Verbreken wij de ban van het burlesk gezwets over onze ,,burgerlijkheid”! Leven wij wederom op het niveau van onze historie!

    Onze historie overziende en ons ontluisterd heden aanschouwend en de plichten beseffend welke ons verleden en onze toekomst ons ten overstaan van dit heden opleggen, gorden wij ons niet aan voor den strijd om een ,,held” te zijn, allerminst in die naargeestige beteekenis waarmede Huizinga eens dit woord: besmette, doch enkel om onzen plicht te doen — onzen plicht tegenover een glorieus verleden, een verwilderd heden, een opnieuw, glorieuse toekomst: om de wederopstanding van dit prinselijke, Dietsch volk. Waar Huizinga zijn hoofdstuk over ,,Heroisme” 1) opent met te herinneren aan het grafschrift voor de gesneuvelden van Thermopylae, welk grafschrift hij het schoonste acht dat ooit werd geschreven, omdat het niet anders bevatte dan den ontroerenden eenvoud van het ,,Vreemdeling, bericht de Lacedemoniërs, dat wij hier liggen, aan hun woord gehoorzaam,” om vervolgens de huidige jeugd van valsch heroisme en gebrek aan eenvoudig plichtsbesef te beschuldigen, daar moge ik hier, als antwoord op dien hoon, nogmaals herinneren aan het levensbesef, dat in werkelijkheid die jeugd volgende bladzijde


1) In de Schaduwen van Morgen.


232

























aangemaakt: 01-03-2008 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 09-01-2013