vorige bladzijde haar in het beste geval alleen maar de buitenste buitenkant beroert; en een kunstenaar houdt niet op een reëele levensfunctie te bezitten als zijn werk bij de groote massa geen gehoor vindt. Dat er, naast dit alles, plaats is VOOr een kunst, waarin het volk (iets anders dan ,,de groote massa”) — zichzelf terugvindt, die gestalte geeft aan het beste dat er in een volk leeft, dat wij, ook wij, wij allereerst, de komst van een dergelijke kunst gespannen en verlangend verbeiden, dat het tot de taak van den Staat behoort het doorbreken van een dergelijke kunst met alle hem ten dienste staande middelen te bevorderen — dat alles is een totaal àndere kwestie, en een kwestie waarover nog uitvoerig te schrijven zou zijn.
    Als echter, gelijk mijn opponent suggereert, slechts datgene ,,volksch” is wat door de groote massa verstaan en, als ziel van haar ziel, aanvaard wordt, dan zou ook het nationaal-socialisme een zeer onvolksch verschijnsel zijn. Ja ja, ook het nationaal-socialisme. Het nationaal-socialisme toch vertegenwoordigt een historisch gebeuren (een exponent van vele eeuwen historie en van tallooze, geenszins aan de oppervlakte des levens plaatsgrijpende verschijnselen), waarvan de meeste lieden, en stellig ook zij die ,,de groote massa” vormen, slechts een enkel facet begrijpen; het vertegenwoordigt een historische omwenteling, waarvan de meesten noch het wezen, noch de draagwijdte (de uiteindelijke gevolgen) bevroeden. Dat met het nationaal-socialisme iets gebeurende is, dat ver boven het bevattingsvermogen van de groote massa uitgaat; kan men reeds afleiden uit de wijze, waarop het nationaal-socialisme ten overstaan juist van die groote massa zijn propaganda voert (men leze ,,Mein Kampf”): voor de groote massa geen diepgaande beschouwingen, maar slagzinnen etc., etc. Wat volgt daar uit? Dit: dat ook het volksche nationaal-socialisme zijn zeer hooge torens met klokkenkamers bezit, kamers waar de groote massa zich een vreemde voelt en niets terugvindt (niets herkent) van hetgeen er in haar leeft. Maar als nu in zoo’n klokkenkamer de een of andere vervoerde dichter begint te zingen — ongevraagd en zonder opdracht – zou hij dan werkelijk alleen maar een onvolksch deuntje ten gehoore brengen....? Kom, kom. volgende bladzijde


228

























aangemaakt: 01-03-2008 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 09-01-2013