Jetzo, da ich ausgewachsen,
Viel gelesen, viel gereist,
Schwillt mein Herz, und ganz von Herzen
Glaub’ ich an den heil’gen Geist.


Dieser tat die gröszten Wunder,
Und viel gröszre tut er noch;
Er zerbrach die Zwingherrnburgen
Und zerbrach des Knechtes Joch.


Alte Todeswunden heilt er
Und erneut das alte Recht;
Alle Menschen, gleichgeboren,
Sind ein adliges Geschlecht
.


Er verscheucht die bösen Nebel
Und das dunkle Hirngespinst,
Das uns Lieb’ und Lust verleidet,
Tag und Nacht uns angegrinst.


Tausend Ritter, wohlgewappnet,
Hat der heil’ge Geist erwählt,
Seinen Willen zu erfüllen;
Und er hat sie mutbeseelt.


Ihre teuren Schwerter blitzen,
Ihre guten Banner wehn!
1)


Menschenwaardij en humaniteit: de Joden zijn in staat deze begrippen inhoud en kleur te geven en sedert het begin van de 19e eeuw is de cultuur dan ook door een reeks van Joodsche denkers


1) Heinrich Heine. Overigens bevat het gedicht, waaraan ik bovenstaand citaat ontleende, ook zeer wrange accenten. Als Heine’s werk ook den haat kent — haat tegen de christenen — en zulks valt moeilijk te loochenen, dan is dit de haat geweest van een somber wanhopige worsteling tegen de wereld, van een machteloos woedender trots tegen een eeuwige, eeuwig-vernederende knechtschap.


197

























aangemaakt: 01-03-2008 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 19-10-2009