wing, doch ook aan de duizenden dooden, die glimlachend het leven lieten, in de wetenschap, dat zij een schoonere wereld voorbereidden; en aan die millioenen lévenden, die gereed staan om, eindelijk, het schoone werk van den vrede te beginnen!
En alsof de Führer, die zichzelf realiseerde in zijn grootsche, verheven en levenslange worsteling om het heil van het Recht te doen triomfeeren, plotseling zichzelf ontrouw zou kunnen worden, — hetgeen toch tevens beteekent: zichzelf zou kunnen vernietigen.
Hebt ge dan nooit bemerkt, dat de trouw aan zichzelf de voorwaarde is waaronder alle grooten en scheppenden leven, kunnen leven, en waaronder alle wijzen en beheerschten leven blijven?!

16.

Gij zijt beducht voor een zegevierend Rijk? — Wordt gij toch eindelijk eens een weinig beducht voor uzelf! —Men doet met ons overeenkomstig datgene, wat wij zijn. Zijn wij niets, dan doet men met ons wat men (en wat ook het Leven) met „niets" doet. Men loopt erover heen. En terecht!

HENRI BRUNING.

Bij de „Kleine Overpeinzingen”, die wij in het vorige nummer plaatsten, is tot ons leedwezen de onderteekening weggevallen. Het spreekt echter vanzelf, dat ook deze „Kleine Overpeinzingen” van de hand van Henri Bruning waren.

Red.

395
















aangemaakt: 19-01-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 27-10-2012