creatief. In de verbeelding van die werkelijkheid vonden wij onze diepste, maar voorloopige vervulling.
     Is het te verwonderen, dat op dit oogenblik, nu het sterven nog altijd meer imponeert dan de mogelijkheid van een wedergeboorte — want dag en nacht zijn nog van den dood vervuld — nu de gemeenschap ondanks bepaalde bindende strevingen nog altijd een chaotischen aanblik vertoont, onze poëzie nog niet de harmonische eenheid van de vrije persoonlijkheid en de zich in haar manifesteerende algemeenheid is, die zij wellicht in de verre toekomst en dan voor een grootere groep van lezers *) zal zijn ? Mag dit op het oogenblik nog niet het geval zijn, het verlangen ernaar is aanwezig”.

„OEVERLOOS INDIVIDUALISME”

     „Een oogenblik dreigde de angst de alcohol te worden, die onze verbeelding zou activeeren. Onze verzen werden krampachtige wilsuitingen, de beelden cerebraal en gedenatureerd, de logica werd geweld aangedaan en het gedicht werd de weergave van een hyper-individualistisch geval, dat voor het ondervindende individu geen ander belang had dan dat van een puzzle. Het stond niet in een kader, waarin het beteekenis kreeg; het wekte geen algemeen-menschelijke gewaarwording; het was alleen verstaanbaar voor een kaste van ingewijden. De angst voor den dood was tot idee-fixe verstard. Het werd ons duidelijk, dat een ongelimiteerd voortgaan in deze richting de poëzie zou leiden in een klimaat, waarin geen bloei meer mogelijk was”.

OMKEER

     „Terug tot het natuurlijke leven, hoe onbegrijpelijk tragisch het ook kan zijn, „eerbied voor de gewone dingen”, zooals de dichteres Vasalis het zegt, is een kenmerkende karakter-trek van de nieuwe poëzie. Eenzaam, maar in die eenzaamheid verbonden met mensch en natuur, met land, volk en wereld, met kosmos en God, aanvaarden de jonge dichters het bestaan gemakkelijker, waar het door het vuur van de wanhoop is heengegaan. Het leven ruischt weer; het ruischt ook in het „zanduur van den dood”.


Elders in dit artikel schrijft Hoornik nog:
     „Het synthetische kunstwerk, waarop wij hoopten, en dat de uitdrukking zou zijn van een existentieele humaniteit, werd nog niet beschreven”.
     Zoo ziet men, van defaitisme, van een laatdunkend en gevoelloos „terzij de horde” was geen sprake, hoe afgewend, hoe afkeerig ook, men tegenover de huidige „samenleving” stond. Zij dulden deze minachting met hen, die de verwildering, de anarchie van ons maatschappelijk leven met een constructief politiek beginsel, en door een politieken strijd, poogden, en pogen, te keeren. In tijden


*) Een poëzie, die, zooals Badings voor de muziek wil, „ondanks eenvoudige verstaanbaarheid zinrijk blijft”.
















aangemaakt: 19-01-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 19-01-2012